Jumbo

Supermarkt

Een paar weken geleden moest ik, voor de toneelvereniging van ‘t RSG wat boodschappen doen. We zouden die zaterdag een volledige doorloop van het stuk hebben, en daar hadden we nog ‘t één en ander voor nodig. Omdat we de bewuste zaterdag vrij laat begonnen, werd besloten dat ik met mijn vader mee zou gaan om de boodschapjes te doen, en dat mijn vader me dan in Rotterdam zou afzetten. Nu ik eindelijk bekomen ben van de gebeurtenissen van die ochtend, vond ik het tijd om daar eens een column over te schrijven. Een column? Over boodschappen doen?

Ja. Want blijkbaar was ik niet de enige Ridderkerker die op zaterdagochtend naar de gerestylde Jumbo was getogen, om daar de broodnodige inkopen te doen. Bij binnenkomst was het meteen al “gezellig druk”; Iets waar ik totaal niet van houd, maar goed… Even doorzetten. Ik had een simpel lijstje: Ik moest druiven hebben, snoepjes uit 1953, of iets wat daarvoor door kon gaan, Jodenkoeken, 12 bussen vol, en nog wat kleine dingetjes. Aangekomen bij de druiven, besloot ik dat die het niet tot de uitvoering van het stuk zouden overleven; overgeleverd aan rondvliegende schimmels, bacteriën en, misschien nog wel veel erger, hongerige studenten, zouden ze het geen twee dagen volhouden. Laat staan vier. Die zou ik dus pas dinsdag gaan halen. M’n lijstje werd steeds korter toen ‘t gedonder begon.

Aangetrokken door de schone vloeren van de pas ingerichte winkel, de nieuwigheden van het Jumbo-concept, de nodige “wij zijn de goedkoopste” reclame-uitingen, en het gratis parkeren, besloot heel Ridderkerk om mij voor de voeten te gaan lopen, die bewuste zaterdag ochtend. Luierkopend plebs, huilend grut en rollator-trage bejaarden: Iedereen leek erop uit te zijn om mij in de weg te zitten. Verkeersregels negerend, stoof het koopjesjagend wild door de winkel, zoals zombies uit een C-film worden aangetrokken door vers bloed, van actie naar aanbieding en terug.

Ik weet zeker dat ik onder de menigte, hier en daar, de hand omhoog zag komen van de vertrapte sukkelaar, die alleen maar binnen kwam voor een zakje hoestpastilles en die zich, net als ik, niet van te voren had kunnen indenken, aan wat voor gevaren zijn leven in de Jumbo bloot zou komen te staan. Aangekomen bij de jodenkoeken bleken er maar zeven blikken te zijn; Te weinig als je 180 hongerige monden stuk voor stuk van een jodenkoek wilt voorzien. Ik besloot mijn leven te wagen door verderop in de winkel op zoek te gaan naar nieuwe voorraden, desnoods verpakt in cellofaan. Adviezen en smeekbedes van achterblijvende familie en vrienden moedig in de wind slaand, ging ik op pad. Na me een weg gehakt te hebben door wildgroeiende groepjes “ik sta in de winkel lekker rustig te praten met tante Beb”-volk, kwam ik bij het koekjespad.

En toen besefte ik dat ik een pijnlijke vergissing had gemaakt, die me duur zou komen te staan; Ik had niet gekeken wat de jodenkoeken in blik kosten, en de jodenkoeken in cellofaan konden wel eens stukken duurder zijn! De groepjes talkshow randfiguren hadden mijn gebaande pad alweer overwoekerd, en het koste me veel moeite om de weg terug te vinden. Terug bij mijn karretje ontdekte ik dat de cellofaankoeken zeker een cent per stuk duurder waren dan de blikkoeken (nee, ik heb het nagelezen, het moet niet ‘koekblikken’ zijn!), en gelukkig hoefde ik dus niet meer terug.

Wat ik nog wel nodig had, gelukkig het laatste item op mijn lijstje, waren negentiendrieenvijftigse snoepjes. En dan niet zomaar snoepjes… Zuurtjes… Gelukkig is mijn vader niet veel jonger dan de gezochte zuurtjes, en dus wist ik wie ik om raad kon vragen. En toen gebeurde het. Terwijl ik met mijn vader stond te overleggen of dropjes nu wel, of niet door zouden kunnen gaan voor negentiendrieenvijftigse zuurtjes was ze daar ineens. Het vrouwtje… Iedereen kent haar wel. Tenminste; Alle domme mensen kennen haar wel, want intelligente mensen hebben zich al jaren geleden afgezonderd van iedere vorm van beschaving, maar het doorsnee plebs, zeg maar het volk dat deze column leest, kent haar wel. Ze staat ook altijd op de bus te wachtten. Of ze komt gezellig naast je zitten in de tram. Of, wanneer je verdwaald bent in een stad of gat waar je nog nooit bent geweest, is zij de enige in de omgeving wie je om de weg kunt vragen. En behalve de bustijden, en de weg, en een tip over negentiendrieenvijftigse zuurtjes, krijg je dan ook altijd het levensverhaal van mevrouw te horen.

Deze keer was dat het “wat is alles toch duur geworden he?” verhaal, vermoedelijk aangewakkerd door de herinnering aan negentiendrieenvijftigse zuurtjes, die toen nog een cent per fabriek kostten. Dat ze normaal hier nooit boodschappen deed… Vroeger altijd naar de Albert Heijn… Maar zo duur geworden he? En de AOW weer lager… En de huursubsidie afgeschaft… En d’r kleinkind in ‘t ziekenhuis, “ja, niets ernstigs hoor, z’n oren worden alleen uitgespoten. dat ze dat toch tegenwoordig allemaal kunnen he?” Nou goed, ik denk dat ik het verhaal niet hoef te herhalen, want iedereen kent het, en zo niet, houden zo dan!

Na al deze ontberingen op de vroege zaterdag ochtend, waarop ik met weemoed terugdacht aan de tijden dat ik op zaterdag ochtend, rond die tijd, aan m’n tweede bak koffie, m’n tweede peuk en m’n tweede prijskaart was begonnen, ware het niet dat ik vrij had genomen voor ‘t toneel, dacht ik dat ik vanaf nu aan, alles aan kon. En toen begon het ineens te dagen… Ik had een visioen… Nee, geen visioen… Een nachtmerrie, maar dan overdag… Ik moest nog afrekenen… Gelukkig kennen ze bij de Jumbo een leuke regel: 4e in de rij? Dan al je boodschappen gratis! Dus een rij, daar had ik geen last van…

Wat ze er niet bij hadden verteld, is dat de gemiddelde rij in het postkantoor sneller weggewerkt wordt dan die twee klanten voor je, bij de Jumbo “KCA, kassa 4 asjeblieft, KCA, kassa 4″…

… Er komt een slungelige jongen aangelopen, die blijkbaar KCA heet: “Ja, kun je even kijken wat die sinasappelsnoepjes kosten?” De slungelige jongen loopt weg…

… Komt dan terug: “Sorry, zei je nou sinasappels?” “Nee, sinasappelsnoepjes!” “Ow, dan loop ik toch nog een keer!” En vertrekt weer…

… Komt weer terug: “één vijfenveertig” is het verlossende antwoord waar de rij van drie op heeft gewacht. De cassiere gaat verder…

… “Negentien Euro Drie-envijftig alstublieft” zegt ze. En dán, op dat moment, ook geen seconde eerder, komt de klant die geholpen wordt, terug van z’n reis naar Mars, en komt tot de conclusie dat hij moet betalen…

… En daar z’n pinpasje voor nodig heeft… Die in z’n portemonnee zit… Onderin z’n tas… Waarvan hij de pincode is vergeten… Tien minuten later is dan toch eindelijk de volgende in de rij aan de beurt, en schuif ik één plaatsje verder, richting de kassa.

Na dit zo, voor m’n neus, twee keer te mogen hebben aanschouwd was ik dan eindelijk aan de beurt, en kon ook ik betalen voor de, inmiddels bijna bedorven, waar. Na de koopzegels in ontvangst genomen te hebben, kon ik dan eindelijk vertrekken. Ik trok de deur (symbolisch) achter me dicht, en hoop dat ik op zaterdagochtend nog niet dood in een supermarkt zal worden aangetroffen.